De tijd bij de Rozenkruisers

Op 20 maart 1953 treden Johfra en Diana toe tot het rozenkruisergenootschap, het Lectorium Rosicrucianum te Haarlem, een gnostische geestesschool. Met grote regelmaat bezoeken zij de bijeenkomsten van de Haagse afdeling, de tempeldiensten in Haarlem en de conferenties in Lage Vuursche en in het buitenland.

Het doel van de mysterieschool is transfiguratie, dat wil zeggen het geleidelijke opgaan van de persoonlijkheid van de 'oude mens' in een geestelijk bewustzijn, dat hem weer verbindt met het oorspronkelijke, goddelijke leven.


Wonderbloem (1954)

De apocalyptische vrouw en het beest (1961)

Ridder met Graalsburcht (1958)

In de periode van verbondenheid met het Lectorium Rosicrucianum maakt Johfra vele schilderijen gebaseerd op de leer en de symboliek van de rozenkruisers. Op allerlei manieren verleent Johfra samen met Diana zijn diensten aan het genootschap, dat vertakkingen heeft in diverse Europese landen, en later ook in Noord- en Zuid-Amerika. In Ussat-les-Bains, in de Pyreneeën, richten beiden een museum in dat is gewijd aan de Katharen.


Voorstudie: Het reddende koord (1958)

Voorstudie: Het reddende koord (1958)

Voorstudie: Het reddende koord (1958)


De Zeven Schepen op het Meer (1968)

C.R.C. op de muur (1968)

De Aanbieding van de Parel (1968)

Johfra ervaart het lidmaatschap meer en meer als beklemmend en kan zich steeds minder verenigen met de doelstellingen van dit genootschap. Over deze beklemming kan hij alleen praten met Ellen Lórien, zijn latere vrouw. Nadat hij in 1962 met Ellen gaat samenwonen, laat hij zich afvoeren van de leerlingenlijst van het Lectorium Rosicrucianum.

In de jaren zestig wordt hem gevraagd het tweedelige werk De Alchemische Bruiloft van Christiaan Rozenkruis van de grootmeester en oprichter Jan van Rijckenborgh te voorzien van illustraties.